Stefan Prins (1979) est un jeune compositeur flamand extrêmement actif qui écume déjà les grands festivals. L'électronique et l'ordinateur occupent une place centrale dans sa musique. Deux pièces pour guitares électriques, "Not I" et "Infiltrationen" seront jouées le 20/11 par le collectif Zwerm. Stefan Prins nous a répondu en néerlandais et nous avons décidé de proposer l'original de son interview.
Stephane Ginsburgh : Nous entendrons pendant le festival deux grandes pièces que vous avez conçues pour guitare(s) électrique(s). Quelle est votre relation à cet instrument et comment voyez vous s’établir les ponts entre son origine populaire et la musique dite savante ? Ces catégories sont-elles finalement encore pertinentes dans le cadre qui nous occupe ? Quelle est la nature votre démarche en associant l’électronique à cet instrument ? Pouvez-vous décrire l’usage particulier que vous faites de l’instrument lui-même et des techniques instrumentales auxquelles vous avez recours ?
Stefan Prins : In feite heb ik de “foute” vrienden gehad op het conservatorium. Om een of andere reden bleek ik al gauw vooral op te trekken met gitaristen, en dan nog met gitaristen die een grote liefde koesterden voor de elektrische variant van hun instrument. Al vrij vroeg ontstond zo het idee om voor een van hen, Matthias Koole, niet alleen een dierbare vriend maar ook een fantastische gitarist, een stuk te schrijven voor elektrische gitaar en live-electronics. Dat stuk werd “Not I” (2007) en neemt een belangrijke plaats in binnen de evolutie die ik tot nu toe als componist heb doorgemaakt. Het is naar mijn gevoel het eerste werk waarin ik de live-electronics op een echt structureel betekenisvolle manier heb kunnen integreren. Toen ik aan het nadenken was wat ik met een elektrische gitaar kon doen,besefte ik dat een elektrische gitaar eigenlijk niets anders is dan een “interface” die zonder de versterker zo goed als betekenisloos blijft – althans auditief. Geen wereldschokkend inzicht, maar het heeft me wel doen inzien dat ik tussen die interface en de versterker een “black box” (lees: een computer met een zelf geschreven geluidsverwerkingssysteem) kan plaatsen die de directe lijn tussen gitaar en versterker kan verstoren, en zo de relatie tussen wat de uitvoerder fysiek doet en het auditieve resultaat kan problematiseren. Die computer wordt door een tweede muzikant “bespeeld” (in dit geval ik) en de klanken worden naar dezelfde gitaarversterker gestuurd, waardoor het des te onduidelijker wordt wat de oorsprong van de klank is: de technologie of de menselijke uitvoerder. Die bevraging van de relatie tussen technologie en menselijke interactie staat centraal in de meeste werken die ik sinds “Not I” schreef.
In 2008 richtten vervolgens de drie elektrische gitaristen die ik kende van op het conservatorium in Antwerpen en die intussen allen bij Tom Pauwels waren gaan specialiseren in hedendaagse muziek, samen met de Nederlandse gitarist Johannes Westendorp een elektrische gitaarkwartet op genaamd ZWERM. Al gauw ontstond het plan om samen met hen een concertprogramma uit te werken voor vier elektrische gitaren en live-electronics. Dit project, “Modes of Interference” bundelt composities voor elektrische gitaren en live-electroncs van Agostino Di Scipio, Mario Del Nunzio, Karlheinz Essl & een nieuw werk van mij genaamd “Infiltrationen” (2009), in een dramaturgisch overkoepelde concertavond. “Infiltrationen” is een uitvergroting van de situatie uit “Not I” in de zin dat er nu vier gitaarversterkers zijn die zowel door de electronics als door de respectievelijke gitaristen worden gedeeld. De gitaren worden echter op een totaal verschillende manier behandeld dan in “Not I”, en de interactie met de live-electronics is eveneens verschillend. In “Infiltrationen” worden de gitaren plat op tafel gelegd als “table-top” gitaren. Ik wilde hen van het macho-aura ontdoen dat ze overerfden uit de pop, rock en metalmuziek. Om dat te bereiken beschouwde ik hen als een akoestische “werkbank” met zes snaren, die bespeeld kan worden met allerhande objecten en apparaten. Ook in “Infiltrationen” staat de relatie tussen technologie en menselijke (inter)actie centraal, vanuit de observatie dat technologie steeds meer en steeds dieper in onze dagdagelijkse leefsfeer “infiltreert”. Dat wordt op verschillende niveaus muzikaal uitgewerkt. Enerzijds werd er er, zoals ik al zei, net als bij “Not I”, een systeem van live-electronics ontwikkeld met de bedoeling om onduidelijkheid te creëren of het nu de gitarist of de computer is die de klanken produceert. Anderzijds, en dat is misschien nog het meest in het oog springend, hebben de musici geen partituren voor zich liggen, maar laptops die met elkaar verbonden zijn via een netwerk en die de “partituur” in realtime genereren. Hoewel de partituur in elke uitvoering van dit stuk op macroniveau eenzelfde “dramatische lijn” beschrijft, kunnen de musici op (bijna) geen enkel moment weten welke speelinstructies de computer hen op op een welbepaald moment zullen geven. Dat maakt de musici volledig afhankelijk van hun computer – ze zitten als het ware gekluisterd aan hun beeldschermen. En telkens wanneer een muzikant een nieuwe cue “triggert” op zijn eigen computer, heeft dit bovendien effect op alle andere computers. Zo ontstaat een ingewikkeld netwerk van interacties tussen technologie en mens en tussen de uitvoerders onderling, een netwerk van betekenissen dat in de dagdagelijkse wereld ook steeds complexer wordt.
Om terug te komen op je vraag: het is in deze twee werken vooral de observatie dat een elektrische gitaar via een elektrisch circuit en een versterker klank produceert – een circuit dat dus onderbroken kan worden- dat me geïnspireerd heeft. Maar ook het feit dat de elektrische gitaar een relatief jonge geschiedenis heeft en geen hele muziektraditie met zich meedraagt, zoals de piano dat bijvoorbeeld wel doet, was voor mij als componist een interessant en in zekere zin verlossend vertrekpunt. En als de elektrische gitaar dan al een muziektraditie in zich meedraagt, is dat vooral een traditie die uit de pop, rock en noise komt. In deze twee werken was het mij echter niet te doen om het “kruisbestuiven” van de “klassieke” muziek wereld met die van de pop, rock, ... In wezen heb ik de elektrische gitaar behandeld zoals ik ook om het even welk akoestische instrument behandel wanneer ik er een compositie voor maak: ik probeer het instrument in eerste instantie zo objectief en neutraal mogelijk te benaderen, in functie van wat ik muzikaal wil realiseren.
SG : Vous êtes vous-même très souvent co-interprète de vos œuvres. Comment vivez-vous cette double expérience
SP : In het algemeen is het voor mij als componist van essentieel belang dat ik ook regelmatig met de muzikale materie in contact kom als uitvoerder. Vroeger gebeurde dat door als pianist uitgeschreven composities te spelen, tegenwoordig is dat vooral in de context van vrije improvisatie met laptop en/of als uitvoerder van de live-electronics in mijn eigen werken. Als het mijn eigen werk betreft, is het enerzijds een bijzonder groot plezier mee op het podium te staan, tussen de andere musici in, omdat dat een heel directe en intense band schept met mijn muziek. Maar anderzijds is die band hierdoor soms té direct, waardoor het moeilijk wordt om de nodige afstand te nemen en vanuit een ander perspectief een compositie te ervaren. Daarom probeer ik in de Fremdkörper-cyclus, waarvan ik net een derde luik heb afgewerkt, de live-electronics op zo’n manier te organiseren dat ik er als muzikant niet voor nodig ben, zodat het geen enkel probleem is wanneer een andere geluidstechnieker de live-electronics bedient. Daar is nog een ander voordeel aan verbonden: het vergemakkelijkt het voor een compositie om zonder mij verder te leven.
SG : Vous êtes également improvisateur. Comment résolvez-vous les tensions qui naissent entre cette pratique et celle du compositeur qui en principe structure différemment le matériau musical ?
SP : Voor mij leunen een goeie improvisatie en een goeie compositie qua luistervaring heel dicht bij elkaar aan en in het beste geval zijn ze zelfs niet van elkaar te onderscheiden. Een sterke improvisatie klinkt doordacht – daarom gebruik ik graag de term “instant composed music” voor improvisatie – terwijl een sterke compositie ook steeds de spontaneïteit van een improvisatie heeft. Maar los daarvan is de communicatie tussen musici onderling, tussen musici en partituur, tussen musici en publiek uiteraard helemaal verschillend bij improvisatie en compositie. In “Ventriloquium”, voor twee improvisatoren, drie “klassieke” musici en live-electronics, heb ik geprobeerd de twee werelden met elkaar te verbroederen. In “Not I” speelt improvisatie naar het einde van het werk toe ook een steeds belangrijkere rol. Daar zijn verschillende redenen voor. Enerzijds wilde ik ook de onduidelijkheid tussen “uitvoerder” en “componist” thematiseren, naar analogie met de onduidelijkheid tussen technologie en uitvoerder. Anderzijds houd ik er ook van om (in bepaalde omstandigheden) de spanning tussen uitvoerders te verhogen, te elektrificeren als het ware, door plaats te geven voor “instant” beslissingen. In het geval van “Not I” was het vooruitzicht om dat stuk samen met Matthias te spelen een extra stimulans om ook improvisatie in het stuk te integreren.
In “Infiltrationen” speelt improvisatie ook een essentiële rol, maar dan op een andere manier. De structuur van het stuk ligt in feite volledig vast, althans de grote lijnen ervan, maar de manier waarop die structuur – die uit verschillende soorten speelstrategieën bestaat – wordt ingevuld is volledig bepaald door de uitvoerders. Hiervoor moeten ze uiteraard wel rekening houden met een aantal op voorhand bepaalde regels. De spanning tussen structuur en improvisatie interesseert me heel erg – wellicht omdat ik in beide werelden actief ben. Maar het integreren van improvisatie in mijn werk is zeker geen constante. Sommige werken zijn op een haast neurotische manier helemaal uitgeschreven – zoals de uitgeschreven delen van de partituur van “Not I” ook. In “Not I” is trouwens 4/5e van de partituur volledig uitgeschreven.
SG : En préparant l’organisation de ce concert, nous avons eu quelques échanges au sujet de la diposition des musiciens. Répond-elle pour vous à une nécessité pratique ou revêt-elle un aspect scénique ?
SP : Het scènische aspect van een concert is heel erg belangrijk voor de luister-ervaring! Dat is een van de zaken die ik heb geleerd door veel met Serge Verstockt en Champ d’Action te werken. Het is verrassend hoe weinig nagedacht wordt over dit toch niet onbelangrijke deel van een concertervaring. Vaak kan je met een intelligente enscenering/dramaturgie de impact van een compositie aanzienlijk vergroten. En tegelijkertijd is er natuurlijk ook het praktische en technische aspect: bij een concert met live-electronics, en zeker met verschillende stukken die op een verschillende manier gebruik maken van live-electronics, moet men vaak ook wat creatief zijn met de scènische organisatie.